Andriessen

geschiedenis van een doopsgezinde familie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schoolmeesters

 

In de eerste helft van de zeventiende eeuw hadden schoolmeesters een laag loon. Dus namen ze er vaak een bijbaantje bij, meestal een ambacht zoals chirurgijn, schilder, schoenlapper, klompenmaker en boekbinder. Later werden dat vooral administratieve functies, zoals secretaris of bode van het gerecht, landmeter of zelfs notaris.

 

De kerkelijke overheden keurden alleen een combinatie met koster en voorzanger goed. Ze mochten van de kerk geen herbergier of belastinginner zijn. Een kroeg vond men geen geschikte omgeving voor jonge kinderen, en als ontvanger was de schoolmeester te vaak weg.

 

De schoolmeesters rond 1600 kwamen vaak voort uit de kring van kleine ambachtslieden. Ook als ze zelf geen ambacht uitoefenden, hadden ze toch vaak een leidekker, metselaar of schoenmaker in de familie. Dat is nog lang zo gebleven. De schoolmeester Jan Brunt

bijvoorbeeld was zoon van een broodbakker. Hij had een broer die molenmaker was, een andere

broer was organist en schilder. Zijn zwakke gezondheid was de reden dat men vond dat hij maar

schoolmeester moest worden.

 

Jacob Andriessen verging het net zo.

 

J. Andriessen schrijver

 

Jacob Andriessen wordt geboren in Haarlem op 11 oktober 1786. Hij overlijdt in Den Haag 19 juni 1859. Hij wordt in 1809 hoofd-onderwijzer in Den Haag. Binnen de familie Andriessen is hij de eerste letterkundige. Hij schrijft onder andere De waarheid in een narrenkleed of De ernstige studie der Romeinsche geschiedenis op eene luchtige en schertsende wijze behandeld in den geest van Fokke's Boertige reis door Europa (1828), Morgenwandelingen door 's-Gravenhage (1832), Deugd en godsdienstzin, Tafereelen uit de geschiedenis en uit het leven van bijzondere personen (1833). Ook schrijft hij enige veel gebruikte schoolboekjes.

 

 

 

Jacob Andriessen is nog net geen twaalf als hij wees wordt. Hij is pas zes jaar als zijn vader overlijdt. Zijn moeder overlijdt in de zomer van 1798. Men vertrouwt hem toe aan de zorgen van het Regentencollege van het Doopsgezinde Weeshuis in Haarlem. Zoals gebruikelijk in die tijd worden wezen opgeleid voor een ambacht. Dus ook Jacob. De regenten vinden dat hij zilversmid moet worden. Het jongetje Andriessen maakt geen vorderingen. Hij heeft geen lichaam voor een werkman. Dat speelt hem parten. Dan maar verkoper in een boekwinkel, want Jacob zit graag met de neus in de boeken. De regenten slagen er niet in een leerlingplaats voor hem te vinden. Omdat Jacob helder van verstand is, sturen ze hem daarom in 1800 naar de Kweekschool van de 'Maatschappij tot Nut van 't Algemeen'. Dat is een gouden greep. Hij presteert zo goed, dat hij in 1803 de prijs van de Nutskweekschool krijgt. Die prijs zorgt ervoor, dat Jacob zich ook op de Franse taal mag storten. Jacob Andriessen wordt uiteindelijk een bekwaam onderwijzer aan een van de bekendste scholen in Den Haag. Ook ontpopt hij zich als een niet onverdienstelijk schrijver.

 

Op de website schoolmuseum.uba.uva.nl is een mooi voorbeeld van de door Jacob Andriessen geschreven schoolboekjes te zien.

 

 

 

Klein Heiligland 58

 

De Doopsgezinden van het Blok in Haarlem besteedden hun wezen niet uit bij particulieren. Daarom stichtten zij een Weeshuis. Zij waren daarmee de eerste geloofsgemeenschap die een deel van de verzorging van wezen zelf ter hand nam. Daarbij was het tehuis alleen voor wezen, terwijl andere gemeenschappen tehuizen stichtten voor wezen en bejaarden gezamenlijk.

 

Het Doopsgezinde weeshuis was gevestigd aan het Klein Heiligland 58 te Haarlem.

De Doopsgezinden vormden in die periode geen eenheid en door afsplitsingen van Waterlandse, Friese en Hoogduitse gemeentes werden de wezen verdeeld. Zij werden naast het weeshuis aan het Klein Heiligland ondergebracht in verschillende weeshuizen bij de Vest, aan de Ravelingensteeg en in het Huis ter Kleef aan de Frankestraat in Haarlem. In de 18de eeuw werd de geschiedenis van de Doopsgezinden echter gekenmerkt door het samengaan van verschillende groeperingen. Uiteindelijk zijn ook de weeshuizen samengevoegd in het Oude Weeshuis aan het Klein Heiligland. Het gebouw deed bijna 250 jaar dienst.

De jas van Jacob

 

In de dagen dat Jacob Andriessen jong was, hoorde de goedertierenheid van rijken jegens hun medemens altijd zichtbaar te zijn. De regenten van het Doopsgezinde Weeshuis in Haarlem letten daar streng op. Wezen dienden weliswaar degelijk maar zeer sober gekleed te gaan. Je moest kunnen zien dat ze wees waren en de wezen zelf mochten in hun kledij nooit meer voorstellen, dan de 'gewone' mens. Standsverschil, daar ging het om.

 

Jacob werd daar fijntjes aan herinnerd, toen hij in 1808 stage liep op een Haagse school. Hij mocht zijn eigen kledij kopen, maar toen de regenten in de gaten kregen dat Jacob een goede smaak had, werd hij op het matje geroepen. Men gaf hem te verstaan, dat het niet gepast was om zich te kleden met 'in het oog loopende kleding, die geenszins voegende was aan een jongeling van zijne uitzigten, veel min aan iemand die als wees nog onder directie staat'.

 

Goede kleding zal nodig zijn geweest voor Jacob, want toen hij in 1804 de nutskweekschool bezocht, klaagde hij over de ongezonde kou. Hij vroeg een warme jas om zich te kunnen weren tegen verkoudheid en griep. Hoewel een jas voor wezen te veel luxe was, kreeg Jacob een jas, maar hij mocht het kledingstuk wel in school dragen, maar niet zondags in de kerk en tijdens het uitgaan. De aan te schaffen jas diende onze kouwelijke Jacob wel eerst ter goedkeuring aan de regentessen te laten zien.