Andriessen

geschiedenis van een doopsgezinde familie

 

 

Paulus bekering.

In Amsterdam bestrafte het burgerlijk

bestuur de wederdopers, nadat enkele geloofsgenoten op 10 mei 1535 het

stadhuis op de Dam bezetten. Op de Dam

werd hun hart “levendig uit het lichaam

gesneden en in hun aangezicht geworpen”,

de lichamen werden gevierendeeld en

bij elke stadspoort werd een deel

opgehangen, terwijl de hoofden op

staken gestoken werden.

De terechtstelling is afgebeeld in

Jan Gensels boek 'Geschideniszen der wederdoopers en naaktlopers'.

 

Uit Canon van Amsterdam, archief

Amsterdam, nr.015030000005/201.

Doopsgezinden Oude Vlamingen

 

In de zestiende eeuw krijgt de Rooms-Katholieke kerk flink wat kritiek te verduren. De bekendste criticaster is Luther. Zijn protest tegen de mistoestanden in de kerk vindt gehoor bij velen. De omwenteling in het geloofsdenken kent vele tongen, die niet altijd dezelfde taal spreken. De ene taal klinkt gematigd, de andere furieus.

 

Sommigen willen leven als navolgelingen van de Christus uit het Nieuwe Testament. Zij noemen zich wederdopers (doopsgezinden). Katholieken en protestanten reageren fel. Zij zien de wederdopers als outlaws, die zo snel mogelijk naar de andere wereld moeten worden geholpen. Zo komt een vluchtelingenstroom op gang. In de eerste helft van de16de eeuw vluchten veel wederdopers naar Nederland. Haarlem blijkt een belangrijk toevluchtsoord te zijn. Als in Holland het leven van de wederdopers ook niet meer veilig is, ontstaat rond 1568 een nieuwe emigratiegolf naar de Noord-Duitse en Poolse kustgebieden. Vooral de Hollandse en Friese wederdopers (doopsgezinden) trekken weg naar Polen. Harlingen, Emden, Norden, Lübeck en Danzig fungeren vooral als doorgangshavens die toegang geven tot een agrarisch achterland.

 

In de moerasdelta ten zuidoosten van Gdansk vinden de doopsgezinden een nieuw veilig thuis. Het stroomgebied van de Weichsel (Wisla) lijkt wel een stukje Holland. Al eeuwen onderhouden daar kooplieden uit Holland en Polen nauwe handelscontacten. Gijsbreght van Aemstel bijvoorbeeld sticht er in 1297 het stadje Holland.

 

Ganzenhoeder

In de familie Andriessen gaat het verhaal, dat een doopsgezinde voorvader van Jacob Anderieszen het Spaanse schrikbewind ontvluchtte. Ver van huis leidde hij in de buurt van Gdansk het bestaan van ganzenhoeder. Dit past in de geschiedenis van de Doopsgezinden.

 

Het leefklimaat van de Doopsgezinden in Polen is broos. Politieke onrust, maar ook misoogsten, hongersnood en pest maken het bestaan in de delta hard voor het nijvere en vrome volkje. Ofschoon de contacten met de Doopsgezinden in Polen niet frequent zijn, blijft de lijn met de gemeenten in Haarlem en Amsterdam door de eeuwen heen bestaan.

 

Het boek 'Bezweegen broederschap maakt duidelijk waarom begin 18e eeuw een uittocht van doopsgezinden uit Dantzig e.o. plaatsvindt. De combinatie van oorlogsverschrikkingen (de streek werd gebrandschat), economische uitsluiting en verschillende pest-epidemieën doen veel Doopsgezinden besluiten terug te keren naar hun oude vaderland. Zo ook Jacob Andriessen.

Doopsgezinden slaagden er steeds weer in crises te boven te komen. Hun wederzijdse hulp, hun ondernemerszin, het eeuwige pionieren en rotsvaste naar binnen gekeerd geloof golden als de steunpilaren van hun bestaan. Toen het in Danzig niet meer lukte, vertrokken ze om (weer) te pionieren in Haarlem, de Oekraïne, Siberië of Canada (tot aan de dag van vandaag).

 

Oude Vlamingen

De familie Andriessen kwam in Haarlem terecht bij de conservatieve doopsgezinde gemeenschap van Dantziger Oude Vlamingen. De term ‘Oud-Vlamingen’ doet denken dat het gaat om afstammelingen van Vlamingen, diein de zestiende eeuw naar de Noordelijke Nederlanden vluchten. Tussen 1520 en 1530 vestigden vele Doopsgezinden uit Brabant en Vlaanderen, waaronder de familie Warnaars, zich in Overijssel en dan vooral in Twente, waar ze weefstoelen bouwden in Almelo, Enschede, Borne en Hengelo. De Doopsgezinde families, die de grondleggers van de Twentse textielindustrie zijn, dragen echter inheemse namen, zoals Bavinck, Bussemaker, Van Calcar, Ten Cate, Van Delden en Nijhofs. De familienamen van de Doopsgezinden aan de Weichsel, ook de voornamen, duiden niet op Vlaanderen maar op Waterland en Noord-Holland.

 

De verklaring van de term Oude Vlamingen ligt dus niet zo maar voor de hand. Wat is dan wel juist? Na een onmenselijke vervolging in het Zuiden vluchten vele Vlamingen van 1560 naar het Noorden. Ze vestigden zich vooral in Friesland vestigden. Daar ontstond een theologische tweestrijd tussen de Friezen en de Vlamingen. De discussie werd nog eens verergerd door verschil in nationaliteit en heerszucht van de Oudsten, die elkaar de hegemonie betwistten. Vooral door toedoen van de Danziger Oudste Dirk Philips sloten de gemeenten in Noord-Duitsland zich bij de Vlamingen aan. Hij koos voor hen partij in zijn in 1567 verschenen geschrift, getiteld: ‘Een cort doch grondtlick verhael van den twistigen handel en de onschriftmatigen oordeel dat in Friesland over sommighen die men de Vlamingen noemt ghegeven is’.

Friezen en Vlamingen vormden twee broederschappen, die elk een rechter- en een linkervleugel hadden. Er ontstonden telkens nieuwe scheuringen. Zo splitsten zich de Vlamingen in twee partijen, in de mildere richting der Jonge Vlamingen, die kortweg Vlamingen worden genoemd en in de strengere richting van de Oude Vlamingen, die de hoogheid en zuiverheid der gemeente als Gods gemeente strenger handhaafden en aan alle ouderwetse regels en gebruiken stipt vasthielden. Deze scheidden zich in het begin der 17e eeuw in Groninger en in Danziger Oude Vlamingen (ook Huiskoopers of Klerken genoemd).